In deze blog:

Microvezeldoeken en -moppen worden veel gebruikt in zorgorganisaties. Ze zijn praktisch in gebruik, reinigen effectief en passen goed in een werkwijze waarin per ruimte, cliëntkamer of taak met schoon materiaal wordt gewerkt.
Maar wat gebeurt er nadat de doek of mop is gebruikt?
In de langdurige zorg is het wassen van microvezelmaterialen geen losstaande facilitaire handeling. Het is een onderdeel van infectiepreventie en van de volledige linnengoedketen: van gebruik en inzameling tot wassen, drogen, opslag en opnieuw uitgeven.
Een doek die er schoon uitziet, is niet automatisch hygiënisch verantwoord. Daarom is het belangrijk dat het wasproces niet alleen schoon materiaal oplevert, maar ook aantoonbaar veilig en werkbaar is ingericht.
Microvezelmaterialen nemen tijdens het reinigen vuil, vocht en micro-organismen op. Dat is precies de bedoeling: de doek of mop moet vervuiling van een oppervlak opnemen en vasthouden.
Daarmee ontstaat ook een aandachtspunt. Gebruikte materialen kunnen na de schoonmaak een bron van verspreiding worden als zij niet zorgvuldig worden ingezameld, gewassen, gedroogd en opgeslagen.
Veilig werken met microvezeldoeken vraagt daarom om duidelijke afspraken over:
Veilig werken met microvezelmaterialen in de zorg omvat de hele keten. De microbiologische kwaliteit van schoon linnengoed moet geborgd worden door vastgestelde procesparameters, periodieke controle en een kwaliteitssysteem dat risico’s herkent en beheerst.
In zorgorganisaties wordt vaak gezegd: “Onze doeken worden op minimaal 60 °C gewassen.” Die afspraak is belangrijk, maar niet voldoende als deze alleen gebaseerd is op de stand van de programmaknop.
De temperatuur die op een machine wordt ingesteld, is niet altijd de temperatuur die de belading daadwerkelijk bereikt. Ook is van belang hoe lang de materialen op temperatuur blijven, hoe vol de machine zit, hoe het programma verloopt en of de was voldoende wordt gespoeld.
Daarom is de juiste vraag niet alleen: Op welke temperatuur staat de wasmachine ingesteld?
De relevante vragen zijn:
Een veilige werkwijze vraagt dus om meer dan vertrouwen in een machine of in een ooit gekozen programma.
Bij wassen in de zorg gaat de aandacht vaak terecht uit naar desinfectie. Maar een desinfecterend proces is niet het enige dat telt.
Microvezeldoeken en -moppen worden gebruikt om onder andere stof, huidschilfers, organische vervuiling, vetten en vocht op te nemen. Wanneer vuil onvoldoende wordt afgevoerd, kan het materiaal minder goed functioneren. Ook resten van wasmiddelen of ongeschikte producten kunnen de vezelstructuur en reinigende werking beïnvloeden.
Een goed proces zorgt daarom voor twee resultaten:
Voldoende spoelen, de juiste machinebelading en een correct droogproces zijn dus geen technische details. Ze bepalen mede of een doek of mop in de volgende schoonmaakronde veilig en goed kan worden gebruikt. Microvezelmateriaal is bovendien gevoelig voor onder meer wasverzachter, vetzure zeep, bleekmiddelen en een te hoge droogtemperatuur.
In de langdurige zorg wordt microvezelmateriaal soms gewassen in een interne wasruimte, soms door een externe wasserij en soms – met name bij kleinschalige woonvormen – in een huishoudelijke machine.
Er bestaat niet één oplossing die altijd past. Wel verschilt de mate waarin je het proces kunt beheersen.
Een professionele of industriële wasserij biedt vaak meer mogelijkheden voor vaste programma’s, doseercontrole, voldoende spoelstappen, capaciteit en registratie. Bij huishoudelijke machines kunnen energiebesparende instellingen, beperkte waterhoeveelheden en verschillen tussen programma’s juist extra onzekerheid geven over de werkelijke procesprestatie.
De hoofdvraag is dus niet uitsluitend waar je wast, maar of de volledige werkwijze veilig, aantoonbaar en passend bij uw organisatie is.
Een goed wasprogramma is slechts één stap. Ook na het wassen kunnen microvezeldoeken opnieuw verontreinigd raken, bijvoorbeeld bij het uitladen, vouwen, sorteren, opslaan of transporteren.
Let daarom onder meer op:
De SRI-richtlijn beschrijft eveneens het belang van gescheiden behandeling, passende opslag en handhygiëne om contaminatie van schone materialen te beperken.
Een SRI-richtlijn geeft richting, maar vult niet iedere dagelijkse handeling voor je in. In de praktijk verschillen zorgorganisaties in bewonersprofiel, gebouw, interne faciliteiten, personele bezetting en de manier waarop schoonmaak en was zijn georganiseerd.
Een werkbare aanpak begint daarom met inzicht:
Door het proces stap voor stap te bekijken, worden risico’s concreet. Vervolgens kunnen maatregelen worden gekozen die aansluiten bij de richtlijn én bij de dagelijkse praktijk van medewerkers en cliënten.
Veilig wassen van microvezeldoeken in de zorg vraagt om aandacht voor het hele proces. Niet alleen voor een temperatuurinstelling, maar ook voor reiniging, desinfectie, spoeling, droging, logistiek, opslag en dagelijkse werkwijzen.
MijnWasGoedDoen ondersteunt zorgorganisaties bij het in beeld brengen en verbeteren van de linnengoedketen. Met een praktijkgerichte screening, advies en training vertalen we SRI-richtlijnen naar een veilige, uitvoerbare en geborgde werkwijze.
Wil je weten waar jouw organisatie staat? Neem dan contact op voor een vrijblijvend gesprek over een screening van jullie linnengoed- en wasproces.
Wil je weten wat in jouw situatie werkt? Of loop je tegen vragen aan over infectiepreventie, organisatie of kosten van wassen en linnengoed? We denken mee vanuit de richtlijn en de dagelijkse praktijk, met oog voor cliënten, medewerkers en de organisatie als geheel.